De arbeidsinkomensquote in Nederland: een overzicht

06-09-2018

De arbeidsinkomensquote (AIQ) is een kengetal dat het aandeel van de beloning van de productiefactor arbeid in het nationale inkomen laat zien. Momenteel woedt er een discussie over de trendmatige ontwikkeling van deze quote. Ook zijn er vragen over hoe de AIQ het best gemeten kan worden en wat dit kengetal wel en niet laat zien. Ten slotte is het niet altijd duidelijk wat de oorzaak is van veranderingen in de AIQ.

 

VNO-NCW en MKB-Nederland hebben daarom SEO Economisch Onderzoek gevraagd een overzicht te geven van de ontwikkeling van de AIQ en de mogelijke verklaringen voor deze ontwikkeling. SEO heeft op basis van diverse reeksen de ontwikkeling van de AIQ in beeld gebracht en een overzicht van de literatuur gemaakt, waarbij verschillende experts zijn geraadpleegd.

 

Manier van meten leidt tot verschillende uitkomsten

De literatuur laat zien dat de AIQ op uiteenlopende manieren wordt gemeten, afhankelijk van het doel van de analyse die wordt gemaakt. Dit heeft gevolgen voor de waargenomen hoogte en ontwikkeling van de AIQ. Een aantal keuzes moet worden gemaakt bij het meten, bijvoorbeeld de behandeling van het inkomen van zelfstandigen, de manier waarop wordt omgegaan met afschrijvingen, de definitie van toegevoegde waarde en de afbakening van de meegewogen economische activiteiten. Al deze elementen hebben invloed op het niveau en de ontwikkeling van de AIQ. Bovendien vergen verschillende doelen een andere analyse: een macro-economisch perspectief vraagt om het meenemen van de gehele economie, terwijl een blik op productiviteit de marktsector van de economie omvat. Ten slotte blijkt dat de AIQ achteraf wordt bijgesteld als gevolg van herzieningen van de nationale rekeningen door het CBS.

Op basis van CBS-data zijn verschillende definities van de AIQ berekend voor de Nederlandse economie in de periode 1995-2015 (Figuur S.1).

 

 

In het productieperspectief wordt de AIQ berekend vanuit de invalshoek van bedrijven: de productiekosten worden gesplitst in de kosten van arbeid versus afschrijvingen en kapitaalkosten. In het inkomensperspectief gaat het om de functionele inkomensverdeling en worden afschrijvingen niet meegenomen in de totale beloning van de productiefactoren. De AIQ's van het CPB en CPB/DNB/CBS zijn varianten op het inkomensperspectief.

 

De definitie is van belang voor het niveau van de AIQ. In het productieperspectief wordt in de noemer de (bruto) toegevoegde waarde inclusief afschrijvingen gebruikt, waardoor de noemer relatief groot is en de AIQ relatief laag. In het inkomensperspectief worden afschrijvingen niet, maar de productgebonden subsidies en belastingen (relevant voor de consument) wel meegenomen; per saldo ligt de AIQ daardoor zo'n 10 procentpunt boven die in het productieperspectief. In de andere twee definities wordt de toegevoegde waarde gecorrigeerd voor afschrijvingen en alle belastingen en subsidies, waardoor de noemer nog kleiner wordt en de AIQ hoger uitkomt.

 

Optimale niveau van de AIQ is niet bekend

In de periode 1995-2015 is de AIQ voor alle definities licht dalend. Langere reeksen laten een meer diffuus beeld zien en recente ramingen wijzen op een stijging. In de reeksen van het CPB is de AIQ sinds eind jaren '70 teruggelopen. Historische reeksen die teruggaan tot de Tweede Wereldoorlog of zelfs tot het begin van de twintigste eeuw laten zien dat de AIQ eind jaren '70 op een zeer hoog niveau lag en dat de huidige AIQ vergelijkbaar is met die van begin jaren ‘70. Het beeld dat van de AIQ ontstaat is dat op basis van een inkomensperspectief, waarin de gehele economie in beschouwing wordt genomen tegen marktprijzen, de AIQ de afgelopen decennia fluctueert tussen de 60 en 70 procent. Dit roept de vraag op wat een maatschappelijk optimaal niveau van de AIQ is. Hierover is weinig bekend, behalve dat de beloning voor arbeid in verhouding moet staan tot de marginale toegevoegde waarde van arbeidsinzet.

 

Diverse factoren beïnvloeden de AIQ, maar precieze effecten zijn veelal onbekend

Door technologische ontwikkeling zijn investeringen in nieuw kapitaal geïntensiveerd. Binnenlandse en internationale concurrentie hebben bijgedragen aan prikkels die productieve efficiëntie bevorderen. Ook op de arbeidsmarkt zelf is veel veranderd, bijvoorbeeld de groei van het aandeel flexibele arbeid en de sterke toename van het aantal zelfstandigen. Uit de literatuur blijkt dat deze factoren de AIQ beïnvloeden, waarbij de mate waarin dat gebeurt in Nederland niet empirisch is vastgesteld.

Ook spelen typisch Nederlandse kenmerken als het overschot op de lopende rekening, het pensioenstelsel en de sectorstructuur een rol bij de hoogte en de ontwikkeling van de AIQ. Het tweede pijler pensioenstelsel heeft geen effect op de AIQ. Veranderingen in sectorstructuur en het aandeel van het inkomen van zelfstandigen in het totale inkomen verklaren ook nauwelijks iets van de trendmatige ontwikkeling in de afgelopen twintig jaar. Het overschot op de lopende rekening is negatief gecorreleerd met de AIQ, maar is op zichzelf geen indicatie voor te lage lonen.

 

Lastenverzwaringen leiden in beginsel tot een hogere AIQ, omdat lastenverzwaringen vaak direct of indirect gedragen worden door de factor arbeid. Terugkijkend op de periode 2008-2017, waarin de collectieve lastendruk toenam, blijkt dat deze lastenstijging vooral in de jaren 2012-2014 tijdelijk een opwaarts effect op de AIQ heeft gehad. Per saldo is het effect over de gehele periode vanaf 2008 beperkt. Deze lastenstijgingen hebben dus niet zozeer de AIQ gedrukt, maar het netto beschikbaar inkomen en de koopkracht van huishoudens, en daardoor de consumptie. Het achterblijvende besteedbaar inkomen is echter wel een belangrijke reden waarom het debat over de AIQ nu wordt gevoerd.

 

Reële lonen en arbeidsproductiviteit lopen op langere termijn redelijk gelijk op

De AIQ wordt in Nederland veelal gezien als een graadmeter van de beloning van werknemers en kleine ondernemers en wordt vaak gekoppeld aan de loonontwikkeling. De AIQ daalt immers als de beloning van werknemers en zelfstandigen achterblijft bij de productiviteitsontwikkeling. Dit is ook zichtbaar in de ontwikkeling van de reële loonvoet en de arbeidsproductiviteit (Figuur S.2). In de jaren '70 groeide de loonvoet harder dan de productiviteit, waardoor de AIQ sterk opliep. Het Akkoord van Wassenaar zorgde in de jaren '80 voor de omgekeerde situatie. In de periode 1990- 2009 ontwikkelden de loonvoet en de arbeidsproductiviteit zich hand in hand. Vanaf 2010 is een daling van de AIQ zichtbaar doordat de productiviteit sneller groeide dan de reële loonvoet. Wanneer recente ramingen worden meegenomen in de analyse, wordt deze daling voor een belangrijk deel tenietgedaan omdat de lonen stijgen. Over de gehele periode 1970-2017 bezien, blijft de loonvoet licht achter bij de productiviteitsgroei. Daardoor daalt de AIQ over deze periode licht; een verschil dat met de toename van de reële contractlonen in de komende periode in belangrijke mate verdwijnt.

 

 

AIQ is beperkt bruikbaar voor discussie over beleid

De bruikbaarheid van de AIQ als indicator voor sociaaleconomisch beleid wordt beperkt door de gevoeligheid van de AIQ voor verschillen in definities en rekenmethoden. Bijkomend probleem is het feit dat herzieningen van de nationale rekeningen achteraf voor verschuivingen in de AIQ kunnen zorgen (en hebben gezorgd) die eerder niet zichtbaar waren en gevolgen hebben voor het niveau, ontwikkeling ervan en discussie erover. Ook is onbekend wat het maatschappelijke optimale niveau van de AIQ is en hoe bijvoorbeeld technologische ontwikkelingen, globalisering en andere veranderingen op de arbeidsmarkt causaal samenhangen met de ontwikkeling van de AIQ in Nederland.

 

Uiteindelijk gaat het erom dat op lange termijn de ontwikkeling van de arbeidsbeloning en de productiviteitsgroei in de pas lopen, zodat arbeid haar marginale product verdient. Over de gehele periode 1970-2017 is de groei van de reële loonvoet licht achtergebleven bij die van de productiviteit. Dit cumuleert over deze periode in een daling van de AIQ. De relatief sterke groei van de loonvoet in de jaren '70 en de relatief sterke groei van de productiviteit in de jaren '80 heffen elkaar goeddeels op. Sinds de jaren '90 gaan de groei van productiviteit en arbeidsbeloning hand in hand. In de periode 2010-2017 is de loonvoet enigszins achtergebleven bij de productiviteitsgroei, maar het valt gezien de huidige krapte op de arbeidsmarkt in combinatie met de vertraagde reactie van lonen op de conjunctuur te verwachten dat dit verschil in de komende jaren in belangrijke mate wordt ingehaald zonder dat daar aanvullend beleid voor nodig is. De weer oplopende AIQ wordt ook bevestigd door de recente arbeidsmarktramingen van DNB en het CPB.